Home » Thema's » Landbouw- en hobbydieren » Commercieel of hobbymatig gehouden dieren

Commercieel of hobbymatig gehouden dieren

Commercieel of hobbymatig gehouden dieren:
wat het verschil is en wat de gemeente ermee moet.
 

Een fokker die regelmatig nestjes verkoopt via Marktplaats. Een pensionhouder die twintig honden tegelijk in huis heeft. Iemand die zestig parkieten houdt en er regelmatig een paar ruilt op een vogelmarkt. Of een buurman die vier schapen en een paar kippen in zijn achtertuin heeft. Wanneer is er sprake van hobbymatig houden van dieren, en wanneer wordt het commercieel of bedrijfsmatig? En wat heeft de gemeente daarmee te maken? 

De grens tussen hobby en bedrijf is in de praktijk vaker onduidelijk dan je zou denken. Toch maakt die grens een groot verschil: voor de vergunningplicht, de handhaving, de bestemming van het perceel en de toezichthouder die bevoegd is. Dit blog legt uit hoe die grens getrokken wordt, welke regels gelden voor welke categorie, en wat gemeenten in de praktijk kunnen en moeten doen. 

Twee soorten dieren, drie soorten houders 

Voordat we ingaan op het onderscheid tussen hobby en bedrijf, is het nuttig om te weten dat de wetgeving twee hoofdcategorieën dieren onderscheidt:  

  1. huisdieren (gehouden voor gezelschap of liefhebberij) en 
  2. landbouwhuisdieren (gehouden voor productie van vlees, melk, eieren of wol).  

Voor beide categorieën gelden andere regels en andere toezichthouders. 

Binnen huisdieren maakt het Besluit houders van dieren (onderdeel van de Wet dieren, van kracht sinds 1 juli 2014) onderscheid tussen: 

  • hobbyhouders: mensen die dieren houden voor eigen plezier, zonder commercieel doel en zonder structurele verkoop of opvang; 
  • bedrijfsmatige houders: mensen die regelmatig fokken, verkopen, afleveren of opvangen van huisdieren als activiteit uitoefenen, ook al maken ze geen winst; 
  • professionele commerciële partijen: dierenspeciaalzaken, fokkerijen, pensions, dierenasielen met herplaatsing, dierenmarkten, enzovoort. 

Voor landbouwhuisdieren (kippen, geiten, schapen, varkens, koeien, paarden) gelden andere drempelwaarden en een ander toezichtregime, gebaseerd op het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de Omgevingswet. 

Wanneer ben je bedrijfsmatig bezig? 

De vraag of iemand bedrijfsmatig of hobbymatig dieren houdt, wordt altijd per geval beoordeeld. Er is geen universele harde grens van 'x dieren = bedrijfsmatig', maar de wet en jurisprudentie bieden wel houvast. 

Voor honden en katten geldt als richtlijn dat je bedrijfsmatig bezig bent als je in een aaneengesloten periode van 12 maanden in totaal meer dan 20 honden of katten hebt verkocht, afgeleverd, opgevangen of gefokt. Dit staat in het Besluit houders van dieren. Let op: het is een richtlijn, geen absolute drempel. Fokkers zijn via jurisprudentie al als bedrijfsmatig aangemerkt terwijl ze slechts enkele nestjes per jaar fokten. Voor andere dieren, zoals geiten, schapen, pony's of lama's, bestaat geen vergelijkbare getalsmatige richtlijn in de wet. Daar gelden uitsluitend kwalitatieve indicaties. 

Een veelgehoorde misvatting is dat de regel 'maximaal 1 nest per 12 maanden per hond' een criterium is voor bedrijfsmatigheid. Dat is niet zo. Het is een welzijnsregel uit het Besluit houders van dieren die geldt voor alle fokkers, hobbymatig én bedrijfsmatig. Meer nestjes per jaar is dus een overtreding van de dierenwelzijnsregels, maar zegt op zichzelf niets over de vraag of iemand al dan niet bedrijfsmatig bezig is. 

Voor alle diersoorten geldt dat de beoordeling van bedrijfsmatigheid plaatsvindt aan de hand van een combinatie van indicaties: 

  • regelmatige fokkerij met meerdere nestjes of worpen per jaar; 
  • structurele verkoop of aflevering van dieren, ook als er geen winst wordt gemaakt; 
  • aanwezigheid van een KvK-inschrijving voor de activiteiten; 
  • het adverteren voor de verkoop of opvang van dieren (online of anderszins); 
  • het in bewaring nemen van dieren van derden (dierenpension, vakantieopvang); 
  • speciale huisvesting of infrastructuur die uitsluitend voor de dieren is aangelegd; 
  • omvang en intensiteit die niet meer past bij de woonbestemming van het perceel. 

Belangrijk: als een handhaver vermoedt dat sprake is van bedrijfsmatig handelen, ligt de bewijslast bij de houder zelf. Die moet aannemelijk maken dat er geen sprake is van bedrijfsmatigheid. Voor honden en katten geldt dit ook als er geen winst wordt gemaakt. 

Wie denkt hobbymatig bezig te zijn maar twijfelt, kan dit toetsen via de zelfevaluatie op de website van RVO. Bij een controle door de NVWA moet de houder zelf aannemelijk maken dat er geen sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. 

Wat verandert er als het bedrijfsmatig wordt? 

Het onderscheid tussen hobbymatig en bedrijfsmatig heeft directe gevolgen voor de verplichtingen van de houder en voor de rol van de gemeente. Hier is een overzicht van de belangrijkste verschillen: 

Hobbymatig houden  Bedrijfsmatig / commercieel houden 
Geen winstoogmerk  Winstoogmerk of regelmatige omzet 
Beperkte aantallen, geen vaste regelmaat  Regelmatige fokkerij, verkoop of opvang 
Geen KvK-inschrijving vereist  KvK-inschrijving is een indicator 
Geen UBN vereist (tenzij drempels overschreden)  UBN-registratie verplicht bij RVO 
Geen bewijs van vakbekwaamheid vereist  Beheerder heeft bewijs van vakbekwaamheid nodig 
Toezicht via APV en bestemmingsplan  Toezicht via Wet dieren en NVWA 
Past bij woonbestemming (tenzij grote ruimtelijke uitstraling)  Past niet altijd bij woonbestemming 

 

Voor landbouwhuisdieren gelden drempelwaarden voor wanneer het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is: meer dan 10 stuks rundvee, 15 varkens, 350 kippen of 25 overige landbouwhuisdieren. Hobbyhouders onder die drempelwaarden vallen buiten het Bal, maar kunnen wel te maken krijgen met het tijdelijk omgevingsplan (de zogenoemde bruidsschat) of APV-regels van de gemeente. 

De rol van de gemeente: wat kan en moet je doen? 

De gemeente is niet de primaire toezichthouder op het houden van dieren. Dat zijn de NVWA (voor bedrijfsmatige houders van huisdieren en veehouderijen) en de Landelijke Inspectiedienst Dierenwelzijn (LID) (voor dierenwelzijn in bredere zin). Maar de gemeente heeft wel degelijk een rol, en die is groter dan veel gemeenten denken. 

Bestemmingsplan en omgevingsplan 

De gemeente bepaalt via het omgevingsplan (voorheen bestemmingsplan) welke activiteiten op welke locaties zijn toegestaan. Hobbymatig houden van dieren past in de meeste gevallen bij een woonbestemming, mits de ruimtelijke uitstraling beperkt blijft. Zodra de omvang of intensiteit zodanig groot wordt dat het perceel feitelijk een bedrijfsmatig karakter krijgt, past de activiteit niet meer bij een woonbestemming. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit in meerdere uitspraken bevestigd: de ruimtelijke uitstraling (verkeersbewegingen, geluid, geur, infrastructuur, continuïteit) is bepalend, niet simpelweg het aantal dieren. 

Dat betekent dat de gemeente via het omgevingsplan kan sturen: wat is toegestaan in een woonwijk, in het buitengebied, op agrarisch bestemde percelen? En welke activiteiten vragen een omgevingsvergunning? Gemeenten die dit niet expliciet hebben geregeld, merken dat handhaving lastig wordt zodra er klachten binnenkomen. 

APV en overlastregulering 

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) biedt de gemeente mogelijkheden om overlast door het houden van dieren aan te pakken, ook als de activiteit hobbymatig is. Denk aan geluidsoverlast (kraaiende hanen, blaffende honden), stankoverlast door mest, of overlast door grote aantallen dieren in een woonwijk. Sommige gemeenten hebben specifieke beleidsregels vastgesteld voor hobbymatig houden van dieren in de bebouwde omgeving, met normen voor aantallen, afstanden en huisvesting. 

Belangrijk: de APV biedt alleen een grondslag als er aantoonbare overlast of gevaar voor de openbare gezondheid is. De gemeente kan dan via een last onder dwangsom handhavend optreden. Zonder aangetoonde overlast is handhaving lastig, ook als de situatie omvangrijk lijkt. 

Vergunningverlening en meldingsplicht 

Bedrijfsmatige houders van huisdieren moeten hun locatie registreren bij RVO en krijgen een Uniek Bedrijfsnummer (UBN). Daarnaast kan de gemeente een milieuvergunning (of melding via het Omgevingsloket) eisen voor bedrijfsmatige activiteiten met dieren, afhankelijk van de aard en omvang. Voor grotere veehouderijen gelden vergunningplichten op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. 

Let op: organisatoren van evenementen, beurzen of markten waar dieren worden verhandeld, moeten het evenement minimaal twee weken vooraf melden bij de NVWA. De gemeente kan via de APV aanvullende eisen stellen aan dergelijke evenementen, zoals gezondheidscontroles of bezoekersregistratie. 

Signalering en doorverwijzing 

De gemeente heeft geen directe handhavingsbevoegdheid op grond van de Wet dieren. Maar ambtenaren, BOA's en medewerkers van het sociaal domein zijn wel in de positie om situaties te signaleren en door te verwijzen. Een melding van een buurtbewoner over een fokker met veel honden kan relevant zijn voor de NVWA of de LID. Goede samenwerking en heldere doorverwijsafspraken zijn daarvoor noodzakelijk. 

Grijze gevallen die de gemeente regelmatig tegenkomt 

De hobbyhouder die te groot wordt 

Iemand begint met een paar parkieten, breiden uit naar honderd vogels en tientallen nestjes per jaar, en adverteert online. Of iemand heeft vijftig konijnen, een eigen website en levert dieren door heel Nederland. Formeel 'hobby', maar feitelijk een fokkerij. De gemeente merkt het pas als er klachten binnenkomen of als het bij een controle van de NVWA aan het licht komt. Goed signaleren en tijdig doorverwijzen naar de NVWA is hier de aangewezen route. 

De kinderboerderij als grensgebied 

Kinderboerderijen houden dieren ten behoeve van educatie en recreatie, maar vallen in veel gevallen wel onder het Besluit houders van dieren als ze dieren in bewaring nemen (ook tijdelijk), herplaatsen of fokken. Gemeenten die subsidie verlenen aan of eigenaar zijn van een kinderboerderij, doen er goed aan te controleren of het UBN en het bewijs van vakbekwaamheid op orde zijn. De NVWA controleert dit bij inspecties en heeft ook kinderboerderijen al aangeschreven. 

De zorgboerderij 

Zorgboerderijen houden dieren als onderdeel van een zorgaanbod. Afhankelijk van de activiteiten (fokken, herplaatsen, in bewaring nemen van dieren van derden) kunnen zij bedrijfsmatig houder zijn. De gemeente speelt hier een rol als subsidieverstrekker, vergunningverlener of contractpartner. 

De fokker die zegt te stoppen maar doorgaat 

Bij handhavingszaken komt het voor dat een fokker aangeeft te stoppen, maar toch doorgaat op kleinere schaal. De grens van 'hobbymatig' wordt dan opgezocht. De gemeente kan via het omgevingsplan handhavend optreden als de ruimtelijke uitstraling onveranderd groot is, ook als het aantal dieren is teruggebracht. 

Hoe verbind je dit als gemeente aan beleid? 

Veel gemeenten hebben geen expliciet beleid over het onderscheid tussen hobbymatig en commercieel houden van dieren. Dat leidt tot inconsistentie in vergunningverlening, moeizame handhaving en onduidelijkheid voor inwoners en bedrijven. Een paar bouwstenen die helpen: 

  • Maak het onderscheid expliciet in het omgevingsplan: welke activiteiten zijn waar toegestaan, en wanneer is een omgevingsvergunning vereist? 
  • Stel beleidsregels vast voor hobbymatig houden in de bebouwde omgeving: met normen voor aantallen, afstanden, geluid en geur. Dat maakt handhaving objectiever en voorspelbaarder. 
  • Zorg voor heldere doorverwijsafspraken: wie informeert de NVWA of LID bij vermoedens van illegale bedrijfsmatige activiteiten? Zijn BOA's hierop geinstrueerd? 
  • Neem het UBN en het bewijs van vakbekwaamheid op als voorwaarde in contracten of subsidieafspraken met organisaties die bedrijfsmatig dieren houden (kinderboerderijen, zorgboerderijen, asielen).
  • Communiceer richting inwoners: maak duidelijk wat de regels zijn voor hobbymatig houden in de achtertuin, wanneer een vergunning nodig is en waar inwoners met vragen of klachten terecht kunnen. 

Praktijkvoorbeeld: een gemeente ontvangt meerdere klachten over een adres waar tientallen honden worden gehouden en regelmatig jonge honden via social media worden verkocht. De gemeente heeft geen directe handhavingsbevoegdheid op grond van de Wet dieren, maar kan via het omgevingsplan optreden als de activiteit niet past bij de woonbestemming. Daarnaast maakt de gemeente een melding bij de NVWA, die controleert of de houder geregistreerd is als bedrijfsmatige houder en of aan de vakbekwaamheidseisen wordt voldaan. 

Tot slot: de gemeente als regisseur, niet als uitvoerder 

Het houden van dieren, of dat nu hobbymatig of commercieel is, raakt aan ruimtelijke ordening, volksgezondheid, dierenwelzijn en openbare orde. De gemeente is niet de enige partij met een rol, maar wel de partij die al die belangen bij elkaar brengt. 

Goede beleidskaders, heldere APV-bepalingen en werkende doorverwijslijnen maken het verschil tussen een gemeente die achter de feiten aanloopt en een gemeente die proactief stuurt.