Met de komst van de Omgevingswet is de regelgeving rondom de fysieke leefomgeving ingrijpend veranderd. Tientallen wetten zijn samengevoegd in één stelsel, van ruimtelijke ordening en milieu tot natuur en bouwen. Dat heeft ook directe gevolgen voor gemeenten die te maken hebben met dieren: in de openbare ruimte, als onderdeel van ruimtelijke ontwikkeling of als het gaat om beschermde soorten. In dit blog leggen we uit wat de Omgevingswet in de praktijk betekent voor gemeentelijk beleid rondom dieren.
Wat is de Omgevingswet?
De Omgevingswet bundelt tientallen wetten en honderden regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving. Denk aan de vroegere Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer, de Wet natuurbescherming en de Woningwet. Ze zijn opgegaan in één stelsel met als doel: eenvoudiger, sneller en samenhangende besluitvorming over de leefomgeving.
Het centrale instrument voor gemeenten is het omgevingsplan. Dat vervangt het bestemmingsplan en biedt gemeenten aanzienlijk meer beleidsruimte om lokale keuzes te maken. Waar het bestemmingsplan vooral ging over toegestane functies en bebouwing, kan het omgevingsplan ook regels bevatten over gebruik, activiteiten en de kwaliteit van de leefomgeving. Dat opent deuren voor gemeenten die dierenwelzijn serieus willen nemen.
Soortenbescherming: van aparte wet naar omgevingsplan
Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet was de Wet natuurbescherming het wettelijk kader voor de bescherming van in het wild levende dieren en hun leefgebieden. Die wet bestaat niet meer. De regels over soortenbescherming en gebiedsbescherming zijn nu onderdeel van het bredere stelsel van de Omgevingswet. Inhoudelijk zijn ze niet fundamenteel gewijzigd, maar de inbedding in gemeentelijke procedures is wel veranderd.
Voor gemeenten betekent dit concreet dat bij elk ruimtelijk project beoordeeld moet worden of beschermde diersoorten aanwezig zijn of kunnen worden geraakt. Dat geldt niet alleen voor grote projecten, maar ook voor kleinere ingrepen zoals het kappen van bomen, het renoveren van een monument of het herinrichten van een pleintje.
Welke soorten kom je in de praktijk tegen?
Beschermde soorten komen vaker voor in stedelijk gebied dan mensen denken. Vleermuizen nestelen in spouwmuren en op zolders van oudere woningen. Gierzwaluwen gebruiken kieren onder dakpannen als broedplaats. Huismussen broeden in dichte hagen en nestkasten. Rugstreeppadden koloniseren braakliggende terreinen en bouwputten snel. En in veel gemeenten leven steenmarters, buizerds of zelfs ooievaars in de bebouwde omgeving.
Een praktijkvoorbeeld: een middelgrote gemeente in Noord-Brabant wilde een jaren-zeventig woonblok slopen om ruimte te maken voor nieuwbouw. Pas bij de aanvraag van de omgevingsvergunning bleek dat het gebouw een belangrijke overwinteringslocatie was voor gewone dwergvleermuizen. Het project liep maanden vertraging op doordat een ontheffing moest worden aangevraagd bij de provincie. Een ecologische quickscan in de verkenningsfase had dit voorkomen.
Wat moet je als gemeente regelen?
Een goede aanpak omvat meerdere stappen:
- Voer bij ruimtelijke projecten altijd een ecologische quickscan uit, bij voorkeur al in de verkenningsfase. Zo weet je vroeg of nader onderzoek nodig is.
- Raadpleeg de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) om te zien of er beschermde soorten in het projectgebied zijn waargenomen.
- Overweeg een Soorten Management Plan (SMP) als je als gemeente regelmatig activiteiten uitvoert die beschermde soorten kunnen raken. Met een SMP regel je voor een langere periode en een groter gebied de ontheffing in één keer, in plaats van per project. Zie hieronder voor een uitgebreidere toelichting.
- Stem tijdig af met de provincie over eventueel benodigde ontheffingen voor soortenbescherming. Ontheffingsprocedures duren al snel zes tot twaalf weken.
- Neem ecologische maatregelen structureel op in ontwerpeisen voor nieuwbouw en openbare ruimte. Denk aan groene daken, nestkasten voor gierzwaluwen en vleermuizen, en doorgaande groenzones.
- Wijs intern een vaste contactpersoon aan voor ecologie bij ruimtelijke procedures, zodat kennis niet verloren gaat bij wisselingen.
Het Soorten Management Plan (SMP): één ontheffing voor meerdere jaren en locaties
Gemeenten die regelmatig werkzaamheden uitvoeren waarbij beschermde soorten kunnen worden geraakt, lopen steeds opnieuw tegen dezelfde vraag aan: heb ik hier een ontheffing voor nodig? Denk aan maaibeheer van bermen, snoeiwerk, onderhoud van oevers of sloopwerkzaamheden aan oudere gebouwen. Telkens een aparte ontheffing aanvragen kost tijd en geld, terwijl het om vergelijkbare situaties gaat.
Een Soorten Management Plan biedt hiervoor een structurele oplossing. Een SMP is een door de provincie goedgekeurd plan waarmee een gemeente voor een langere periode en een groter gebied ontheffing krijgt voor handelingen die beschermde soorten kunnen raken. Voorwaarde is dat de gemeente aantoont welke beschermde soorten aanwezig zijn, welke risico's de geplande activiteiten met zich meebrengen en welke mitigerende en compenserende maatregelen worden getroffen om schade te voorkomen of te beperken. De provincie beoordeelt het plan en verleent op basis daarvan een gebiedsgerichte ontheffing voor de looptijd van het SMP.
Een SMP bevat doorgaans:
- een beschrijving van het plangebied en de activiteiten waarvoor ontheffing wordt gevraagd;
- een inventarisatie van de aanwezige beschermde soorten en hun verblijfplaatsen;
- een analyse van de effecten van de activiteiten op die soorten;
- mitigerende maatregelen om verstoring, doding of vernieling van nesten en verblijfplaatsen te voorkomen;
- compenserende maatregelen waar mitigatie niet afdoende is;
- een monitoring- en evaluatieparagraaf.
Een praktijkvoorbeeld: een middelgrote gemeente wil haar woningvoorraad de komende jaren ingrijpend renoveren. In veel van de betreffende woningen zijn vleermuizen aanwezig als vaste verblijfplaats. In plaats van voor elk renovatieproject een afzonderlijke ontheffing aan te vragen, stelt de gemeente een SMP op voor het gehele renovatieprogramma. Daarin legt ze per soort vast welke maatregelen worden getroffen: wanneer wordt gestart met werkzaamheden, hoe worden vleermuizen begeleid door een gediplomeerd ecoloog en welke vervangende verblijfplaatsen worden aangebracht. De provincie verleent op basis van het SMP een ontheffing voor de volledige looptijd van het programma. De gemeente kan vervolgens per project werken binnen de vastgestelde kaders, zonder telkens opnieuw een ontheffingsprocedure te doorlopen.
Het opstellen van een SMP vraagt een eenmalige investering in ecologisch onderzoek en juridische voorbereiding, maar levert structureel tijdswinst op en geeft zekerheid voor de langere termijn. Neem voor de ontwikkeling van een SMP vroegtijdig contact op met de provincie. De meeste provincies hebben ervaring met dit instrument en kunnen aangeven aan welke eisen het plan moet voldoen.
Het omgevingsplan en dierenwelzijn: meer ruimte voor lokaal beleid
Een van de grootste veranderingen die de Omgevingswet meebrengt voor gemeenten, is de uitbreiding van de beleidsruimte in het omgevingsplan. Waar het bestemmingsplan vrij technisch en functioneel van aard was, biedt het omgevingsplan expliciet ruimte voor regels over de kwaliteit van de leefomgeving.
Dat raakt ook aan dieren. Maar gemeenten worstelen regelmatig met de vraag: wat leg je nu waar vast? Wat hoort in het omgevingsplan, wat in een nota dierenwelzijn en wat in een biodiversiteitsplan? Die documenten zijn geen concurrenten van elkaar, maar vullen elkaar aan. Hieronder leggen we het onderscheid uit.
Het omgevingsplan: juridisch bindende regels over de fysieke leefomgeving
Het omgevingsplan is een juridisch instrument. De regels die je daarin opneemt zijn afdwingbaar en gelden voor iedereen in het aangewezen gebied. Het gaat altijd om regels die direct samenhangen met de fysieke leefomgeving en de inrichting van de ruimte.
Voor dieren betekent dit dat je in het omgevingsplan kunt opnemen:
- een verbod op het voeren van watervogels in specifieke openbare gebieden;
- een verplichting om bij nieuwbouw nestkasten voor gierzwaluwen of vleermuizen te integreren in het ontwerp;
- het aanwijzen van groenzones die een ecologische functie hebben en niet mogen worden bebouwd of verhard.
Concreet voorbeeld: een gemeente neemt in het omgevingsplan een voerverbod op voor eenden en ganzen in twee stadsvijvers waar de waterkwaliteit structureel onder druk staat. Handhavers kunnen hierop optreden. Dat is een omgevingsplanregel: ruimtelijk, afdwingbaar en direct verbonden aan een specifieke locatie.
Wat niet in het omgevingsplan thuishoort, is de beleidsvisie achter die keuze, de afweging van methoden of de beschrijving van hoe de gemeente met ganzenproblematiek omgaat. Dat is het domein van de nota dierenwelzijn.
De nota dierenwelzijn: beleid en aanpak per thema
De nota dierenwelzijn is een beleidsdocument. Het legt de visie van de gemeente vast op het welzijn van dieren in de gemeente, en beschrijft per thema welke aanpak de gemeente hanteert. Het is geen juridisch bindend document, maar het biedt wel een stevige bestuurlijke basis voor concrete beslissingen.
In de nota dierenwelzijn leg je vast hoe de gemeente omgaat met verwilderde katten, hoe overlast door ganzen of meeuwen wordt aangepakt, welke methoden worden toegestaan of juist niet, hoe wordt samengewerkt met dierenhulporganisaties en wat de rol van bewoners daarin is. Ook het gemeentelijk beleid rondom huisdieren, hobbydieren en dieren in de openbare ruimte valt hier onder.
Concreet voorbeeld: een gemeente heeft jaarlijks te maken met klachten over ganzen in een historisch stadspark. Bewoners ergeren zich aan vervuiling, terwijl dierenwelzijnsorganisaties bezwaar maken tegen vangen en doden. In de nota dierenwelzijn legt de gemeente haar aanpak vast: afschrikking via loslopende honden op aangewezen tijden, nestbeperking via het verwijderen of insmeren van eieren en het vrijhouden van een oeverzone zodat ganzen niet opgejaagd worden naar drukke publieksgebieden. Die aanpak is dan bestuurlijk onderbouwd en vastgesteld. Als een bewoner of organisatie later bezwaar maakt tegen een concrete ingreep, kan de gemeente verwijzen naar het vastgestelde beleid.
De nota dierenwelzijn is ook het document dat je aanhaalt als de gemeenteraad vragen stelt over dierenleed of als een incident politieke druk oplevert. Zonder vastgesteld beleid beslist een gemeente ad hoc, en dat maakt haar kwetsbaar.
Het biodiversiteitsplan: natuur en soortenrijkdom als opgave
Een biodiversiteitsplan richt zich op het herstel en de versterking van biodiversiteit in de gemeente. Het gaat over de vraag: hoe zorgen we ervoor dat onze gemeente rijk is aan verschillende planten- en diersoorten, en wat doen we om hun leefgebied te beschermen en te vergroten? Het is nadrukkelijk geen dierenwelzijnsdocument, maar een ecologisch en ruimtelijk document.
In een biodiversiteitsplan beschrijft de gemeente haar ambitie op het gebied van groen, water en natuur. Het bevat doelen voor het vergroten van het aandeel inheemse beplanting, het aanleggen van ecologische verbindingszones, het verminderen van verharding en het beheer van bermen en oevers op een natuurvriendelijke manier. Beschermde soorten en hun leefgebieden spelen hierin een centrale rol.
Concreet voorbeeld: een gemeente constateert dat de populatie huismussen in tien jaar tijd met de helft is afgenomen. In het biodiversiteitsplan neemt ze concrete doelen op: het plaatsen van nestkasten op gemeentelijk vastgoed, het aanpassen van het groenbeheer zodat insectenrijke bermen blijven staan, en het verplichtstellen van beplantingsplannen met inheemse soorten bij herinrichtingsprojecten. Deze doelen worden vervolgens deels vertaald naar regels in het omgevingsplan (zoals de verplichting voor nestkasten bij nieuwbouw) en naar samenwerking met lokale vogelwerkgroepen en dierenhulporganisaties.
Het biodiversiteitsplan overlapt soms met de nota dierenwelzijn, maar het perspectief verschilt.
- De nota dierenwelzijn gaat over het individuele dier en zijn welzijn.
- Het biodiversiteitsplan gaat over populaties, soorten en ecosystemen.
Beide zijn waardevol en ze versterken elkaar als ze op elkaar zijn afgestemd.
Overzicht: wat hoort waar?
Om het onderscheid concreet te maken: stel dat een gemeente wil ingrijpen bij een te grote populatie verwilderde katten in een woonwijk.
- In het omgevingsplan kan de gemeente een regel opnemen die het bijvoeren van verwilderde katten in bepaalde gebieden verbiedt.
- In de nota dierenwelzijn legt de gemeente vast hoe ze met verwilderde katten omgaat: welke methode (TNRC), wie verantwoordelijk is, hoe wordt samengewerkt met dierenhulporganisaties en hoe bewoners worden betrokken.
- In het biodiversiteitsplan beschrijft de gemeente waarom een hoge kattenstand een risico vormt voor weidevogels of andere beschermde soorten, en welke maatregelen ze neemt om kwetsbare broedgebieden te beschermen.
De drie documenten werken samen, maar elk heeft zijn eigen functie. Het omgevingsplan regelt, de nota dierenwelzijn onderbouwt en stuurt, en het biodiversiteitsplan beschermt en versterkt. Gemeenten die alle drie op orde hebben, staan sterk als diergerelateerde kwesties op de agenda komen.
Samenwerking met de provincie
De provincie is onder de Omgevingswet bevoegd gezag voor soortenbescherming en voor gebieden met bijzondere natuurwaarden, zoals Natura 2000-gebieden en het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Gemeenten die ruimtelijke ontwikkelingen plannen die grenzen aan of overlappen met deze gebieden, hebben de provincie nodig: voor ontheffingen, voor afstemming over ecologische effecten en soms voor medefinanciering van groene maatregelen.
Dat vraagt om een actieve samenwerkingsrelatie. Veel provincies hebben een loket of aanspreekpunt voor soortenbescherming en ecologie, maar gemeenten weten dat niet altijd te vinden. Zorg dat je als gemeente weet wie jouw provinciale contactpersoon is, en betrek de provincie al bij de planvorming, niet pas bij de vergunningaanvraag.
Een voorbeeld van goede samenwerking: een gemeente in Gelderland wilde een nieuwe woonwijk aanleggen op de rand van het NNN. In plaats van te wachten op de formele procedure, organiseerde de gemeente een vroeg ambtelijk overleg met de provincie over de ecologische randvoorwaarden. Dat resulteerde in een aangepast stedenbouwkundig plan met een groene bufferzone langs de rand van het NNN, waardoor de vergunningsprocedure later zonder vertraging verliep.
Aandachtspunten bij samenwerking met de provincie:
- Zorg voor een vast aanspreekpunt bij de provincie voor ecologie en soortenbescherming.
- Start het provinciale overleg zo vroeg mogelijk, bij voorkeur al in de haalbaarheidsfase van een project.
- Vraag bij de provincie na of het plangebied overlapt met het NNN, Natura 2000 of andere beschermde gebieden.
- Leg afspraken over ecologische maatregelen vast in het projectdossier, ook informele afspraken.
- Informeer de provincie actief over significante veranderingen in het plangebied.
Participatie bij diergerelateerde besluiten
De Omgevingswet vraagt nadrukkelijk om participatie als onderdeel van besluitvorming. Dat geldt ook bij besluiten die dieren raken. Denk aan de aanpak van verwilderde katten, het beheer van ganzenkolonies, het kappen van bomen in een oudere wijk of de herinrichting van een park. Zulke onderwerpen raken bewoners en organisaties direct, en kunnen tot felle reacties leiden als ze niet of te laat betrokken worden.
Door dierenwelzijnsorganisaties, bewonersgroepen en beheerders vroeg te betrekken vergroot je het draagvlak voor beslissingen en voorkom je bezwaarprocedures achteraf. Dat bespaart tijd en kosten, maar levert ook betere besluiten op. Organisaties als dierenbeschermingsverenigingen, wildopvang en dierenambulances hebben vaak praktijkkennis over lokale dierenpopulaties die beleidsambtenaren niet hebben.
Wat kun je nu al doen?
De Omgevingswet biedt gemeenten meer ruimte dan ooit om dierenwelzijn te verankeren in het ruimtelijk en omgevingsbeleid. Die ruimte benut je alleen als je er bewust voor kiest. Wacht niet tot een incident de agenda bepaalt, maar leg nu de basis.
- Zorg dat je omgevingsplan up-to-date is en dat dierenwelzijn daarin een inhoudelijke plek heeft.
- Stel een nota dierenwelzijn op die aansluit op het omgevingsplan en een kader biedt voor concrete beslissingen.
- Zet ecologische quickscans standaard op de checklist bij ruimtelijke projecten, ook kleinere.
- Onderzoek of een Soorten Management Plan (SMP) zinvol is voor activiteiten waarbij je gemeente regelmatig te maken heeft met beschermde soorten.
- Bouw een vaste werkrelatie op met de provincie over soortenbescherming en ecologie.
- Betrek dierenwelzijnsorganisaties en bewoners vroeg bij besluiten die dieren raken.
- Wijs intern een contactpersoon aan die het overzicht houdt over dierenwelzijn in relatie tot omgevingsbeleid.

