Home » Thema's » Diergezondheid & zoönosen » Vogelgriep in de gemeente: wie doet wat, en wie betaalt? 

Vogelgriep in de gemeente: wie doet wat, en wie betaalt? 

Elke winter en elk voorjaar melden inwoners van gemeenten massaal zieke en dode vogels. Meeuwen die rondjes draaien op het plein. Ganzen die bewegingsloos langs de waterkant liggen. Roofvogels die uit de lucht vallen. Vogelgriep rukt al jaren op onder wilde vogels in Nederland, en de druk die dit legt op lokale hulporganisaties groeit. Gemeenten spelen daarin een grotere rol dan velen denken, maar de verantwoordelijkheden zijn nog lang niet overal helder belegd 

Wat is vogelgriep en waarom raakt het de gemeente? 

Vogelgriep, ook wel aviaire influenza genoemd, is een sterk besmettelijk virus dat voornamelijk watervogels en roofvogels treft. Het virus verspreidt zich via direct contact tussen dieren, maar ook via uitwerpselen en kadavers. Dode vogels die blijven liggen vormen een risico: aaseters zoals vossen en marters kunnen besmet raken, en zo breidt het virus zich verder uit. 

Voor de volksgezondheid geldt dat overdracht op mensen zeldzaam is, maar niet onmogelijk. Mensen die besmette dieren aanraken zonder bescherming lopen een klein maar reëel risico. Dat maakt snelle opruiming niet alleen een dierenwelzijnskwestie, maar ook een volksgezondheidsmaatregel. 

Inwoners die een zieke vogel vinden, weten meestal één ding: ze bellen de gemeente of de dierenambulance. En daarmee belandt de kwestie, of gemeenten dat nu willen of niet, op het bord van de lokale overheid. 

De dierenambulance als eerste contactpersoon 

In de praktijk is de dierenambulance de organisatie die als eerste uitrukt bij meldingen van zieke of dode vogels. Dag en nacht, ook in het weekend. Vrijwilligers rijden uit met beschermende kleding, kadaverzakken en desinfectiemiddelen. Ze vervoeren levende, zieke vogels naar een dierenarts voor euthanasie. Ze ruimen kadavers op en ontsmetten daarna hun voertuig grondig voor ze verder kunnen rijden. 

Wat veel mensen niet weten, is dat dit alles geld kost. Fors veel geld. De extra kosten voor beschermingsmiddelen, dierenartszorg, ontsmetting en extra ritten lopen tijdens uitbraken snel op. Dierenambulances die normaal rondkomen van gemeentelijke subsidies, donaties en ritvergoedingen, zien hun kassen leeglopen op het moment dat het vogelgriepseizoen aanbreekt. 

Landelijk zijn de kosten berekend op gemiddeld 25 euro per dier voor de dierenambulance, en zo'n 40 euro per dier voor wildopvangcentra die risicovogels opvangen. In drukke seizoenen halen individuele dierenambulances honderden tot duizenden ritten met mogelijk besmette dieren. De totale kosten voor het ophalen van vogelgriepslachtoffers in Nederland lopen in de miljoenen euro’s per jaar, terwijl de vergoeding vanuit het Rijk marginaal is. 

Wie is verantwoordelijk? 

Dit is de kern van het probleem: wilde vogels hebben geen eigenaar. Dat betekent dat er ook geen duidelijke partij is die wettelijk verplicht is om ze op te ruimen. De rijksoverheid verwijst naar terreinbeheerders, de eigenaren van de grond waar het dier gevonden wordt. Dat kunnen gemeenten zijn, maar ook provincies, waterschappen, natuurorganisaties, boeren of particulieren. 

In de praktijk lossen dierenambulances het op. Niet omdat het hun wettelijke taak is, maar omdat niemand anders het doet, en omdat ze begrijpen wat er op het spel staat. Sommige gemeenten compenseren een deel van de kosten. Andere gemeenten niet, of alleen via contracten die geen ruimte bieden voor onvoorziene pieken. 

Het ministerie van LVVN heeft aangegeven dat gemeenten de aangewezen partij zijn om dierenambulances financieel te ondersteunen als zij wil dat het opruimwerk doorgaat. Gemeenten die bewust kiezen voor een goed georganiseerde lokale aanpak, leggen dat vast in hun contract of subsidierelatie met de dierenambulance. Gemeenten die dat niet doen, lopen het risico dat hun dierenambulance op een druk moment moet kiezen tussen het uitrijden voor een vogelgriepmelding of een gewone hulpvraag. 

Wat kun je als gemeente doen? 

De aanpak van vogelgriep vraagt om duidelijke afspraken, niet alleen over wie wat doet, maar ook over de financiering van onvoorziene situaties. Een aantal concrete stappen: 

  • Maak in het contract met de dierenambulance afspraken over wat er gebeurt bij uitbraken. Voeg een voorziening toe voor extra kosten bij grootschalige vogelgriepincidenten, zodat de organisatie niet voor verrassingen staat. 
  • Zorg voor goede communicatie richting inwoners. Mensen die weten wat ze moeten doen bij een zieke vogel (niet aanraken, de dierenambulance bellen) voorkomen dat er onnodig risico wordt gelopen en dat meldingen op de verkeerde plek terechtkomen. 
  • Stel een intern aanspreekpunt in. Bij een uitbraak waarbij op meerdere locaties dode vogels worden gevonden, is het fijn als zowel de dierenambulance als de gemeentelijke buitendienst weet wie waarvoor verantwoordelijk is. 
  • Houd de NVWA en de GGD in beeld. Zij spelen een rol bij het vaststellen van besmettingen en bij de informatievoorziening richting de gemeente. Weten hoe die lijnen lopen, voorkomt verwarring op het moment dat het ertoe doet. 
  • Volg de actuele situatie via het Landelijk platform vogelgriep. Hierin werken overheidspartijen, dierenhulporganisaties en terreinbeheerders samen aan protocollen en informatiedeling. 

Geen vrijwilligerskwestie, maar beleid 

Dierenambulances draaien op vrijwilligers die uit liefde voor dieren beschikbaar zijn, ook op onhandige tijden, ook in beschermende pakken, ook als het niet betaald wordt. Maar dat maakt het opruimen van vogelgriepslachtoffers nog geen vrijwilligerskwestie. Het is een publieke taak, met gevolgen voor de volksgezondheid, de dierenpopulatie en de openbare ruimte. 

Gemeenten die dat erkennen en hun dierenambulance structureel ondersteunen, investeren in een organisatie die klaarstaat op het moment dat het nodig is. Gemeenten die dat niet doen, vragen vrijwilligers om een gat te dichten dat de overheid laat vallen. Dat is een kwetsbare positie voor alle betrokkenen.